<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0">
<channel><generator>iloblog 1.0</generator><title>Verhalen over oud Baarn Feed</title><link>http://verhalen.groenegraf.nl/</link><description>&lt;p&gt;Vaak krijgen we reacties van bezoekers waarin ze hun herinneringen aan personen, plekken of situaties uit oud Baarn beschrijven. Met deze blog hebben we een plek gecreëerd waar we die oude verhalen kunnen plaatsen. Heeft u leuke herinneringen aan vroegere tijd in Baarn? Mail ze ons, dan zullen we zorgen dat ze hier geplaatst worden. Email: &lt;a href=&quot;mailto:evd.ent@gmail.com&quot; target=&quot;_blank&quot;&gt;evd.ent@gmail.com&lt;/a&gt;&lt;/p&gt;</description><item><title>Een kunstschilder in Baarn: Jan Prinsen</title><link>http://iloapp.groenegraf.nl/blog/verhalen?Home&amp;post=3</link><description><![CDATA[   Nog niet zo lang geleden werd ik benaderd door Bert Prinsen uit Amersfoort. Hij had in onze database met personen begraven in het Eemland de gegevens van zijn grootouders gevonden, Jan Prinsen en Gezina Wilhelmina Dijs. Bert stuurde ons een email en vroeg of wij geïnteresseerd waren in aanvullende gegevens en wat beeldmateriaal dat betrekking heeft op zijn grootouders. Op zo'n vraag zeggen wij zoals u weet nooit nee! En zo stuurde Bert ons een paar prachtige oude foto's van Jan Prinsen en Gezina Wilhelmina Dijs. In zijn berichtje schreef hij ons dat Jan Prinsen een "niet onverdienstelijk schilder" was, en dat hij een aantal schilderijen van hem in zijn bezit heeft. Uiteraard wilde ik die schilderijen heel graag zien en een afspraak in Amersfoort was snel gemaakt. Gewapend met een fototoestel toog ik naar Amersfoort. Daar had Bert de schilderijen klaar staan om te fotograferen. De beschrijving "niet onverdienstelijk schilder" die Bert aan zijn grootvader gaf bleek een understatement. Bert toonde prachtige schilderijen die wij allen voor onze site mochten fotograferen. Uiteraard hebben we hem gevraagd een kort stukje over zijn grootouders te schrijven en dat heeft hij ook direct gedaan. U vindt zijn verhaal hieronder. Mocht u in het bezit zijn van een schilderij van Jan Prinsen, neemt u dan alstublieft contact met ons op. Wij willen graag een foto van het schiderij maken het het toevoegen bij dit verhaal.  
  -----------------------------------------------------------------------------------------  
     
  Jan Prinsen  is geboren op 23-08-1871 in Steenwijk, zoon van Wiebe Prinsen en Sophia Johanna Kamans. Jan is overleden op 11-10-1960 in Baarn, 89 jaar oud. Hij is begraven in Baarn, Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Wijkamplaan.  
     
 Jan trouwde, 27 jaar oud, op 24-03-1899 in Baarn met  Gezina Wilhelmina Dijs , 22 jaar oud. Gezina is geboren op 22-08-1876 in Baarn, dochter van Hendrikus Dijs en Wilhelmina Smit. Gezina is overleden op 22-12-1961 in Baarn, 85 jaar oud. Zij is begraven in Baarn, Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Wijkamplaan.  
 Uit het huwelijk werden negen kinderen geboren: Hendrikus, Wiebe, Johan (Joop), Wilhelmina, Lute Hendrik (werd slechts 11 maanden oud), Alida, Bert's vader Lambertus Prinsen, Gezina en Anna Prinsen. 
 Hieronder leest u het verhaal van Bert Prinsen over zijn grootouders: 
  Jan Prinsen 1871-1961  
 Met enige ontroering schrijf ik over mijn oude “stijl”volle opa en grootvader. Hartelijk, bescheiden ging hij door het leven. Al vroeg hadden mensen in zijn geboortedorp Steenwijk zijn gave met pen en penseel ontdekt (1890!). Maar ja, er was geen geld om hem te laten studeren op heen kunstacademie. Hij was aangewezen op privélessen. 
 Hij ging voor zijn vak in de leer bij een huisschilder in zijn omgeving, later in Baarn. Zijn talenten ontwikkelde hij verder.  
   
 Wat mij treft in zijn stijl van schilderen zijn de warme, gevoelvolle toon en kleuren. Het geeft een stuk vrede weer. Vrede waar mensen zozeer naar zoeken. Ook met zijn orgelspel wist hij mensen te vertellen van deze vrede waarin God zijn inspiratiebron was, zonder andere mensen te kwetsen. Dat heeft hij ook zijn (klein)kinderen meegegeven.  
 Er hangen nog steeds in Baarn en omgeving schilderijen van hem.  
 Ook in zijn schilderwerk was hij meer dan het gemiddelde. Hij mocht van zijn baas de rijtuigen (van de rijke baarnaars) versieren. Nu zijn deze voertuigen al lang uit ons straatbeeld verdwenen. 
 Mijn oma Gezina Wilhelmina Prinsen-Dijs stond haar man trouw terzijde in zijn schilderwerk. Als er in de winter geen buitenschilderwerk was en er dus niet veel verdiend werd, dan ruilde ze zijn schilderijen tegen levensmiddelen. 
 Jan Prinsen en zijn vrouw overleden in 1961 in een verzorgingshuis in Baarn. 
   
 Het is mijn hoop dat zijn schilderijen vele wanden mogen blijven sieren. Dat er afbeeldingen van deze schilderijen op de site van Het groene graf.nl verschijnen, doet me goed. 
 Bert Prinsen. 
 Mocht iemand aanvullingen over hem kunnen geven: welkom. 
   
 ]]></description><pubDate>Sat, 27 Aug 2011 08:41:20 +0200</pubDate><category>Personen</category></item><item><title>Rampspoed voor Baarnaars in 1918</title><link>http://iloapp.groenegraf.nl/blog/verhalen?Home&amp;post=2</link><description><![CDATA[   Soms ben je ergens mee bezig en dan opeens wordt je ergens door gegrepen dat je niet meer los laat. Figuurlijk gesproken dan. Voor onze site ben ik jaren geleden begonnen met een onderzoek op de oude algemene begraafplaats. Eerst om gewoon eens te kijken of daar familie begraven was, zodat ik onze stamboom met wat gegevens kon uitbreiden. Door mijn interesse in de geschiedenis van Baarn, zag ik op die grafmonumenten allerlei namen die ik kende uit de oude verhalen over Baarn. En zo werd ik voor het eerst gegrepen door iets dat me niet meer los liet. Ik had de drang om uit te zoeken wie die mensen waren die er begraven zijn. Inmiddels is dat behoorlijk uit de hand gelopen en is deze site ontstaan. Tijdens dat onderzoek ontdekte ik een grafmonument van ene Jacoba Maria Horsman. Bij mijn zoektocht naar gegevens over deze dame stuitte ik op een krantenartikel over een treinramp in Weesp. Het bleek dat mevrouw Horsman om het leven gekomen was bij deze ramp. In hetzelfde artikel stond een lijst met namen van personen die verwond waren of omgekomen. Bij die namen stonden ook de woonplaatsen van die personen vermeld. Het bleek dat er nog meer Baarnaars waren omgekomen bij die ramp. En dat was de tweede keer dat ik gegrepen ben door iets wat me niet mee los liet. Sinds die dag ben ik aan het zoeken geslagen naar meer informatie over die ramp en de Baarnaars die daarbij omkwamen. Hieronder het resultaat.  
 -------------------------------------------------------------------------------------------------------- 
 Het is vrijdag, de 13e september 1918. Een ongeluksdag zou de bijgelovige zeggen. En dat bleek het ook te zijn. Op die dag vond namelijk een verschrikkelijke treinramp plaats bij Weesp. “Weesp”, zult u zeggen, “wat heeft dat te maken met deze site? Dat is toch geen Eemland?” Nee, Weesp is inderdaad geen Eemland, dus wat dat betreft heeft het met onze site niet zoveel te maken, ware het niet dat Baarn in die tijd behoorlijk afhankelijk was geworden van deze spoorlijn naar Amsterdam. In 1874 werd de spoorlijn Amsterdam-Amersfoort, langs Baarn geopend en Baarn kreeg, met een beetje hulp van Prins Hendrik, zijn eigen station. Dat zorgde ervoor dat rijke Amsterdammers dagjes uit gingen naar de mooie omgeving, of er langere tijd verbleven in in de vele pensions en hotels die in die tijd als paddenstoelen uit de grond schoten in Baarn. Dat Baarn in de smaak viel bleek wel uit het feit dat veel rijke Amsterdammers in Baarn en omgeving hun zomerverblijven bouwden, en velen zich hier definitief kwamen vestigen. Vaak werkten ze echter nog in Amsterdam, dus de treinverbinding naar Amsterdam werd volop gebruikt. 
     
 En zo gebruikten vele Baarnaars de trein ook op die vrijdag, de 13e september 1918. De trein vertrok om 9.46 uur uit Amersfoort, waar eerst nog een trein uit Groningen aangekoppeld werd. Die passagiers uit Groningen waren op dat moment al 4 uur onderweg(!). Om 9.59 uur waren de Baarnse reizigers aan boord gegaan en ging het op naar Hilversum waar om 10.10 uur vertrokken werd. In Bussum en Weesp werd niet gestopt en daar moest de trein volgens reglement  “met afgesloten stoom en niet sneller dan 45 km per uur  ”  rijden. Nadat de brug bij Weesp gepasseerd was moest de trein weer vaart maken om tegen de helling van de brug over het Merwedekanaal (heet nu Amsterdam-Rijnkanaal) op te klauteren. Het was het laatste jaar van de eerste wereldoorlog en de kolen die de trein op gang moesten brengen waren uitgesproken slecht. Langzaam reed de trein de helling van de brug op. Er was niet voldoende stoom voor meer snelheid. 
     
 Een wegwachter en een wegarbeider die in een seinhuis aan de Gooise kant van de brug stonden vertelden later aan de verslaggevers van de krant hoe ze hadden gezien dat de locomotief de brug bereikt had. Op datzelfde moment zagen ze de achterste bagagewagen achterover hellen. De trein schoof nog even door en de locomotief sloeg tegen de brugingang. De personenwagons, die achter de bagagewagen hingen, zagen ze van de dijk afglijden. Even klonk er een geweldig lawaai, een klap…. Één ogenblik was het angstaanjagend stil… en toen verscheurde een onmenselijk gejammer en gegil aan de andere kant van de dijk de stilte. Van de eerste wagons was niet veel meer over dan hoop versplinterd wrakhout. De seinwachters wilden naar Weesp bellen, maar de lijn was stuk. Ook de seinen waren stuk dus hebben ze naar elke kant van de spoorlijn een man met een rode vlag gestuurd om de aankomende treinen te waarschuwen.  
     
 Van het treinpersoneel bleek niemand gewond en zij verleenden direct eerste hulp, samen met een chirurg en vier nonnen die in de trein zaten. Ook een groep militairen die toevallig in de omgeving marcheerden schoten te hulp. Een hulptrein uit Naarden-Bussum arriveerde meer dan een uur later. De ongevallenwagons vertrokken rond die tijd uit Amsterdam en een trein van het Rode Kruis kwam tweeënhalf uur na de ramp op de plek aan. Taco Zondervan, één van de overlevenden van de ramp beschreef wat er na het ongeluk gebeurde: “ Wat wij bij dit grootste spoorwegongeluk, dat in Nederland wellicht ooit gebeurt is, gezien hebben, valt niet te beschrijven. Een gehele trein ligt kris en kras door en over elkaar. De dijk, waarover eens het spoorwegverkeer liep, bestaat niet meer, hij schijnt als in een afgrond verdwenen. Het weiland waarin de overblijfselen van de trein liggen, is als het ware omgeploegd en een sloot is plotseling gedempt ” Taco Zondervan heeft geluk gehad. Beduusd en met enkele kneuzingen en lichte verwondingen wordt hij met andere gewonden in het weiland gelegd. “ Naast mij lag iemand die geen benen meer had ”. “ Met bijlen en zagen worden de half versplinterde wagons uit elkaar gehaald, omdat vermoedelijk nog een paar slachtoffers er onder bedolven liggen ”. 
      
 Tegen half twee werden een groot aantal gewonden op dekschepen gelegd die in het Merwedekanaal lagen en naar Amsterdam vervoerd. Daarna volgde een schuit met de doden. Later zou blijken dat bij deze treinramp 41 personen om het leven gekomen waren en 42 mensen gewond raakten. 
     
 De oorzaak van de ramp was het verzakken van de spoordijk. Dit bleek het gevolg te zijn van de overvloedige regen van de voorgaande tijd en de slechte staat waarin de spoordijk verkeerde. Op het moment van de verzakking was de locomotief al op de brug en hij bleef hangen in het ijzerwerk van de brugconstructie. De loc en de tender kantelden naar rechts. De tender bleef liggen op het landhoofd, een bagagewagen daarachter kwam tegen het landhoofd tot stilstand. De volgende drie rijtuigen zakten van het talud af en schoven in en op elkaar. De houten bovenbouw werd grotendeels versplinterd, waardoor hier de meeste doden en gewonden vielen. Het derde rijtuig werd bovendien bedolven door een daarachter rijdende bagagewagen en een postrijtuig, die door de snelheid gedeeltelijk naast de voorgaande rijtuigen terecht kwamen. Het rijtuig achter het postrijtuig kwam schuin vanaf het talud omlaag te hangen, maar was nauwelijks beschadigd. De laatste rijtuigen van de trein ontspoorden wel, maar bleven op de spoorbaan staan.  
   
 Van de 41 dodelijke slachtoffers die er vielen bleken er minstens 9 (dus bijna een kwart!) uit Baarn te komen. 
 Hieronder volgen hun namen: 
     
 Klik op bovenstaande afbeelding voor een vergroting. 
  Naast deze dodelijke slachtoffers waren nog een aantal gewonden uit Baarn: 
 Mevr. Asch van Wijk (licht gekwetst) Mevr. Loopuijt (ernstiger, doch niet levensgevaarlijk) Jo Holdorp (arbeider) Hendricus Derksen (niet ernstig) G.S. Koelewijn (vrij goed) Joh. (een andere krant meldt G.J) de Vries (niet ernstig) 
 Het kan niet anders zijn, of deze ramp moet een enorme inpact op de Baarnse bevolking gehad hebben. De landelijke dagbladen stonden vol over deze ramp. De meeste omgekomen Baarnaars waren niet van geboorte Baarnaar, maar waren oorspronkelijk afkomstig uit de stad. Maar ze woonden hier wel, en ongetwijfeld hadden ze Baarnaars in dienst als tuinman, knecht of dienstbode en de Baarnse middenstand zal ze zeker gekend hebben als hun klanten. Tja, het moet een flinke impact in Baarn gehad hebben. Dat kan niet anders. 
     
 Kunt u ons aanvullingen of correcties geven op dit artikel, verzoeken wij u ons deze per email te sturen.  
 Bronnen:  
  http://www.i-boek.com  (Dit is een online-boek, "De Amsterdamse Drosten" geschreven door dhr. Bert Bolle uit Australië waarin een uitgebreid verslag met veel beeldmateriaal te bekijken is.) De link naar het hoofdstuk over de ramp vindt u hier:  http://www.bertbolle.com/drost/13.htm  
  http://www.nicospilt.com/Weesp1918.htm    http://nl.wikipedia.org/wiki/Treinramp_bij_Weesp    http://beeldbank.amsterdam.nl/index.php?beginjaar=&amp;eindjaar=&amp;qasked=1&amp;qtype=nieuw&amp;q=Ontspoorde+trein+Weesp    http://kranten.kb.nl/    http://archiefeemland.courant.nu/   
 ]]></description><pubDate>Mon, 10 Jan 2011 22:06:14 +0100</pubDate><category>Gebeurtenissen</category></item><item><title>Teunis Koenen en Gradje van Diermen uit de Elisabethstraat</title><link>http://iloapp.groenegraf.nl/blog/verhalen?Home&amp;post=1</link><description><![CDATA[   Misschien is het leuk als ik zelf ook eens een oud verhaal doneer. Ik (Eric van der Ent) ben in 1965 geboren in het Elisabethziekenhuis in Utrecht, maar als kind opgegroeid in de Elisabethstraat in Baarn, waar mijn ouders op zolder bij mijn overgrootouders, Teunis Koenen en Gerharda (Gradje) van Diermen, woonden. Over hen, en over het oude arbeidersbuurtje waar zij woonden gaat dit verhaaltje. Dit oude buurtje heeft, omdat ik er ben opgegroeid, mijn speciale interesse. Als er mensen zijn die wat kunnen vertellen over dit buurtje, of oude foto's hebben, dan hoor ik dat natuurlijk graag!       ----------------------------------------------------------------------------------------------------------  Op 24 januari 1882 werd Teunis Koenen, echtgenoot van Gerharda van Diermen in Bunschoten geboren. Hij kwam in 1906 vanuit Bunschoten naar Baarn. De bevolking in Bunschoten was onder te verdelen in “De Vissers” en “De Boeren”. De voorouders van Teunis hoorden bij “De Boeren”. In de regel waren de boeren wat rijker dan de vissers. Zij hadden immers grond en boerenbedrijven. Vaak bekleedden de boerenfamilies ook belangrijke funkties. Voorouders van Teunis waren onder andere schepen, burgemeester, kerkmeester en ouderling. Tot ca. 1800 werd de naam nog geschreven als Coenen. Tegenwoordig komt de naam Koenen niet meer voor in Bunschoten-Spakenburg. Het is de familie Koenen niet voor de wind gegaan. Op het moment dat de familie naar Baarn vertrok hadden de familieleden moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Van de bezittingen die de Koenens vroeger hadden is niets meer over.  Teunis ontmoet in Baarn Gerharda (Gradje) van Diermen. Haar naam doet vermoeden dat zij ook uit Bunschoten kwam. Dit is echter niet zo. Er is geen relatie met deze tak gevonden. Zij is op 2 december 1887 in Soest geboren en woonde later met haar ouders in de Elisabethstraat in Baarn. In 1908 trouwde ze met Teunis en vestigden ze zich ook in de Elisabethstraat, een paar huizen verwijderd van Gradje’s ouders Cornelis van Diermen en Neeltje van de Biezen.      Teunis komt net als zijn broers Arie Willem, Wouter en Frans in dienst bij publieke werken in Baarn. Daar zijn ze dan straatvegers, straatlantaarnaanstekers en brandweermannen. Nog steeds geen vetpot dus. Ook Gerharda zal moeten bijdragen in het levensonderhoud. Zij gaat aan het werk als dienstbode en als ze in verwachting raakt van haar kinderen is ze ook zoogmoeder voor rijkere Baarnaars. Dat wil zeggen dat ze kinderen van rijke ouders borstvoeding gaf omdat de echte moeders dit niet wilden of konden doen. Ook heeft zij menigmaal als vroedvrouw gefungeerd als er kinderen in de buurt geboren werden.       De Elisabethstraat was onderdeel van een arbeidersbuurtje tussen de Zandvoortweg en de Berkenweg. De Berkenweg heette destijds Verlengde Dalweg. De Elisabethstraat is vernoemd naar de dochter van Dhr. Nagel die diverse panden in de straat in bezit had. Parallel aan de Elisabethstraat liepen de Dijkweg en de Johannalaan. De Johannalaan is vernoemd naar de echtgenote van huisschilder Teunis van der Woord: Johanna Oomsen. Toen eind 19e eeuw de arbeiderswoningen aan deze laan gerealiseerd werden, noemde Teunis van der Woord deze laan waaraan hij 6 huizen bouwde naar zijn vrouw. Eind jaren zestig van de vorige eeuw is de wijk gesaneerd en is er een nieuwbouwwijk voor in de plaats gekomen. Van de oude Elisabethstraat is nu nog maar een klein stukje over t.h.v. de Zandvoortweg. Dit stukje heet nu Populierenlaan. Ook het huis van Teunis Koenen en Gerharda van Diermen bestaat nog, al is er nu een compleet nieuwe gevel omheen geplaatst.     De nieuwe straten zijn nu haaks over de oude straten gesitueerd en heten Elzenlaan en Goudenregenlaan. Op de plaats van de Johannalaan ligt nu de Essenlaan. In de oude buurt woonden veel mensen die voorkomen in onze stamboom. Ik vertelde al dat de ouders van Gerharda van Diermen, Cornelis van Diermen en Neeltje van de Biezen met hun gezin in de Elisabethstraat woonden. Gijsberta Alida van Diermen, zus van Gradje woonde met haar man Roelof Keppel en kinderen in de Dijkweg. Grietje Koenen, dochter van Teunis en Gerharda vestigde zich met haar gezin in de Dijkweg. Ook haar neef Roelof Keppel, zoon van bovengenoemde Roelof Keppel, getrouwd met Maria Geertruida (Zus) Radstok, woonde in de Dijkweg.        Thea de Ruiter, dochter van Grietje Koenen, kleindochter van Gerharda van Diermen ging na haar huwelijk met Dirk Antonie van der Ent met haar gezin op zolder wonen bij Teunis en Gerharda aan de Elisabethstraat. Teunis en Gerharda Koenen waren toen al op gevorderde leeftijd en kleindochter Thea moest regelmatig het bejaarde echtpaar helpen bij de dagelijkse werkzaamheden. Op een dag stond Opoe Gradje onderaan de trap naar boven te roepen: “Deerntje, deerntje, kom gauw, Opa zit vast!”. Kleindochter Thea spoedde zich naar beneden om te kijken wat er loos was. Opa Teunis probeerde zichzelf aan te kleden en had per ongeluk zijn lange witte onderbroek over zijn hoofd getrokken, omdat hij dacht dat het zijn hemd was. Zijn armen had hij in zijn broekspijpen gestoken en zijn hoofd door de gulp. En zo zat hij muurvast. Opoe Gradje, die een kop kleiner was dan Opa Teunis, huppelde daar in paniek omheen. Af en toe maakte ze een sprongetje voor opa en probeerde zo de lange onderbroek weer over het hoofd van opa te trekken, wat natuurlijk niet lukte. Kleindochter Thea kon er niets aan doen, maar proestte het uit van het lachen. Het was zo’n komisch gezicht om dat bejaarde echtpaar zo bezig te zien. Uiteraard heeft Thea opa Teunis uit zijn lijden verlost en opa weer bevrijd uit zijn lange onderbroek.       Iets dat meer dan eens gebeurde: In het kleine keukentje van Gerharda en Teunis stond naast het fornuis een pannetje met water waar opa Teunis zijn kunstgebit ’s avonds in deed. Op latere leeftijd kon opa steeds slechter horen en ook slechter zien. En zo gebeurde het af en toe dat opa, die altijd vroeg naar bed ging, het gebit niet in het pannetje met water deed, maar per ongeluk in het melkpannetje dat op het fornuis stond om melk voor de koffie op te warmen. Meer dan eens gebeurde het dus dat bij het opschenken van de melk op de koffie ineens opa’s kunstgebit tevoorschijn kwam!!   De laatste jaren van zijn leven ging opa Teunis’ gezondheid hard achteruit. De huisarts vond het op een gegeven moment beter dat opa zijn geliefde borreltje (jenever) liet staan, gewoon omdat dat niet goed was voor zijn gezondheid. Vanzelfsprekend vond opa Teunis, die zijn hele leven graag een borreltje gedronken had, dat geen goed idee en hij was zeker niet van plan om zich aan het advies van de dokter te houden. Opoe Gradje en kleindochter Thea, die nog steeds boven het oude echtpaar woonde, vonden echter dat de dokter gelijk had, dus moest er een list verzonnen worden. Er werd een fles 7-Up ingeslagen en telkens als opa begon te mopperen dat hij geen borrel kreeg werd er een borrelglaasje tevoorschijn gehaald en gevuld met 7-Up. Zo kreeg opa toch zijn borrel. Hij dronk het glas dan in één teug leeg. Het koolzuurgas prikkelde in zijn keel en neus en met een zucht zei opa dan: “Whoa!!! Da’s sterk spul!!!”. Opa Teunis tevreden en Opoe, Thea en de dokter ook tevreden....  Inmiddels is de oude wijk dus gesaneerd, maar nog steeds wonen nakomelingen in de straten die nu op de plek van de oude wijk liggen. Thea de Ruiter en haar man Dirk Anthonie van der Ent wonen nu in de Goudenregenlaan. Naast haar woont haar zus Nelly Margaretha (Nel) de Ruiter met haar echtgenoot Frans Kotten. In dezelfde straat woont om de hoek woont broer Frans de Ruiter met zijn echtgenote Alie van Oostrum. Bovengenoemde Roelof Keppel ging na de sanering met zijn gezin wonen aan de Essenlaan. Die straat loopt precies op de plek waar vroeger de Johannalaan liep. In de Elzenlaan gingen nakomelingen van Arie Willem, broer van Teunis Koenen wonen, namelijk zijn kleinkinderen Adriaan Koenen en zijn echtgenote Tiny Ruijer.       Het oude buurtje was een hechte gemeenschap. Bij mooi weer werden er stoelen buiten op straat neergezet en ging men gezellig met elkaar kletsen. Ook kleine bedrijfjes waren er in het buurtje te vinden. Naast het huis van Teunis Koenen en Gerharda van Diermen zat de handelaar in oud papier, lompen en metalen, Luijer. In de Dijkweg had je de melkboer Nagel, op de hoek met de Zandvoortweg. Nast Nagel zat Nijhof en later Hendrik van Beest, een kruidenier. Daarnaast zat het transportbedrijf van Klaas Duijst. Dat bedrijf verhuisde later naar Soest. Aan de andere kant van de Dijkweg, richting Berkenweg, vond je bakker De Gier, kapper Geijtenbeek en slager Metten. Op de hoek met de Berkenweg zat kruidenier J.H. van de Heuvel en daarnaast, op de hoek met de Johannalaan het sigarenzaakje van tante Saartje met aan de overkant groentehandelaar Ruitenbeek. Op de hoek Elisabethstraat / Berkenweg zat nog stoffeerder / behanger Lüschen.       Terug naar mijn overgrootouders Teunis Koenen en Gradje van Diermen. Gradje was een lieve, zorgzame, diep gelovige vrouw. Zij kon heel goed schrijven, wat heel bijzonder is, aangezien ze maar een paar jaar lagere school gehad heeft. Na haar schooltijd ging ze werken in de wasserij van Van Veen, gevestigd in de Acacialaan te Baarn. Voordat ze met haar dagtaak in de wasserij aanving moest zij samen met haar zus ’s morgens zeer vroeg uit bed om bij bakker Berenkamp in Soestdijk een zogeheten “10 ponder roggebrood” te halen voor het grote gezin Van Diermen. De kruiwagen ging dan ook mee, omdat in het Baarnse Bos hout moest worden gesprokkeld. Dat was een dagelijks terugkerend ritueel. Haar hele getrouwde leven heeft ze op Elisabethstraat 53 gewoond. Nadat haar man Teunis op 4 mei 1973 overleed, trok ze in bij haar dochter Grietje Koenen, die met haar echtgenoot Willem de Ruiter aan de Israëlsstraat 27 in Baarn. Willem en Grietje werden natuurlijk ook ouder, en toen de gezondheid van moeder Gradje achteruit ging werd Opoe Gradje verzorgd in De Blinkert aan de Zandvoortsweg. Op 98-jarige leeftijd kwam ze voor het eerst van haar leven in een ziekenhuis te liggen. Dat was een hele schok voor haar, want vroeger ging je volgens haar alleen naar het ziekenhuis om dood te gaan. Een aardige anekdote is, dat ze tegen een medepatiënte voor het ontbijt zei: “Wacht u even, wij bidden eerst. Als u niet bidden kunt, doe ik dat voor u”. Gerharda haalde de respectabele leeftijd van 102 jaar. Wat zij in haar leven aan ontwikkelingen heeft zien gebeuren is enorm! De eerste fietsen, de eerste auto's verschenen in het straatbeeld, twee wereldoorlogen heeft ze meegemaakt, de eerste man op de maan. Het is bijna niet te bevatten wat er in ruim 100 jaar tijd kan gebeuren! Op haar 100ste verjaardag werd Gradje vereerd met een bezoek van de burgemeester en een felicitatiebrief van onze koningin.       Het aantal mannen en vrouwen dat meer dan honderd jaar oud wordt, is de afgelopen decennia fors toegenomen. Dat blijkt uit in 2007 gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Momenteel telt Nederland bijna 1400 mensen boven de honderd. In 1997 telde Nederland voor het eerst meer dan duizend honderdplussers terwijl dat er in 1950 nog geen veertig waren. In 1965 was het aantal al gestegen tot ruim honderd. In de meeste gevallen gaat het om vrouwen. Per 1 januari 2007 zijn er bijna zes keer zoveel vrouwen van honderd jaar en ouder als mannen. Begin jaren tachtig was het aantal vrouwelijke honderdplussers nog ongeveer twee maal zo hoog als het aantal mannen.        Het geloof was voor Gradje alles. Ze moest ook niets hebben van mensen die het geloof niet serieus namen. Zo had ze ook een hekel aan Sinterklaas. Dat mensen verkleed als een bisschop door de straten van Baarn liepen vond ze helemaal niets. Mijn vader, Dirk Antonie van der Ent, heeft zich eens, toen de kinderen nog klein waren, verkleed als Sinterklaas. Hij wist destijds nog niet hoe Opoe over Sinterklaas dacht en wilde haar verrassen. Opoe die plotseling deze verklede bisschop voor zich zag staan, wist niet dat mijn vader in dat pak zat. Ze schoot uit haar slof en zei: “Ga weg!! Besodemieter je ouwe moer maar!!”. Dat soort taal waren we niet van Opoe gewend, dus mijn vader wist dat het Opoe ernst was. Hij heeft nooit aan Opoe verteld dat hij in dat pak zat. Ook de kerstboom werd door Opoe gezien als iets heidens. Deze kwam vast niet in huis. Een stalletje met de os en de ezel en het kinderke Jezus... prima. Maar de kerstboom had volgens Opoe niets te maken met het verhaal over de geboorte van Onze Lieve Heer!   Op 7 december 1989 stierf Gerharda van Diermen op 102-jarige leeftijd en werd ze bij haar echtgenoot Teunis begraven op de nieuwe algemene begraafplaats aan de Wijkamplaan in Baarn. Toen Opoe 100 jaar oud werd, heeft de familie het aantal afstammelingen geteld: 6 kinderen (waarvan één jong gestorven), 24 klein-kinderen, 68 achter-klein-kinderen en 29 achter-achter-klein-kinderen. Bij elkaar 127 bloedverwanten in de rechte lijn en 59 aanverwante kinderen. En tot het laatst toe kende ze iedereen bij naam. Een behoorlijke prestatie lijkt me zo!    
 ]]></description><pubDate>Sun, 09 Jan 2011 12:37:38 +0100</pubDate><category>Personen</category></item><item><title>Het einde van de oorlog in Baarn</title><link>http://iloapp.groenegraf.nl/blog/verhalen?Home&amp;post=0</link><description><![CDATA[   Het eerste verhaal dat we hier plaatsen hebben we ontvangen van dhr. G. Breekveldt uit Auckland, Nieuw Zeeland. Dhr. Breekveld is in 1925 geboren in de Kampstraat in Baarn als zoon van Frederik (Frits) Breekveld en Berendina (Dien) Klein Obbink. Op de foto hieronder ziet u dhr. Breekveldt (rechts) met zijn broers op het trapje van het kerkje in de Kampstraat in Baarn.  
     
  In 1933 liet vader Frits een dubbele woning bouwen aan de Nicolaas Beetslaan. Het gezin ging zelf in één van de twee woningen wonen (Nicolaas Beetslaan 24). Kort na de oorlog gemigreerde het gezin naar Nieuw Zeeland. Dhr. Breekveld heeft nog heel veel herinneringen aan Baarn en heeft die herinneringen voor zijn nageslacht op papier gezet. Enkele verhalen wil hij met ons delen. Hieronder volgt het waargebeurde verhaal dat plaatsvond aan het eind van de tweede wereldoorlog.  
  ----------------------------------------------------------------------------------------------------   
 Begin 1944 kregen we bezoek van een Duitse officier, die mijn vader vertelde dat ze ons huis, zie de foto hieronder, samen met een aantal andere huizen in onze straat (Nicolaas Beetslaan), nodig hadden. Ons huis was de helft van een dubbele woning. De andere helft werd bewoond door een lid van de N.S.B. Dat huis hoefden ze niet te hebben. 
   
 De Duitsers hadden alleen interesse in woningen met centrale verwarming. Wij hadden onze centrale verwarming lange tijd niet gebruikt, omdat er geen brandstof beschikbaar was, of het was te duur om het op de zwarte markt te verkrijgen. De waterreservoirs in de boiler waren gescheurd door vorst toen het water dat erin was blijven staan tijdens de strenge winter van 1941-1942 bevroor. Vader had de reservoirs weer gelast, maar hij hoopte dat de Duitsers van gedachten zouden veranderen, als duidelijk werd wat de staat van de boiler was, maar het mocht niet baten. We kregen drie dagen de tijd om een ander woonadres te vinden en we moesten alles achterlaten, behalve wat eerste levensbehoeften. Ze verzekerden ons dat we na de oorlog schadevergoeding zouden krijgen. Op die schadevergoeding wachten we nog steeds…  
 Een vriend van mijn vader, Jo Voskuijl, had en winkel in een omgebouwd oud hotel. (Dat hotel was Hotel Centraal op de Brink, en de winkel was 1001, later Hema, EvdE). Die winkel lag midden in het centrum van Baarn en boven de winkel waren verschillende kamers gesitueerd. Sommige van die kamers kregen we tot onze beschikking, zodat we midden in het zenuwcentrum van Baarn kwamen te wonen. We werden ons meer bewust van het algemene gevoel van de bevolking en hun reacties tegen de bezetters en hun aanhangers. Hier volgden we ook het nieuws van de landing van de geallieerden in Normandië en hun snelle successen in hun strijdtocht door het noorden van Frankrijk, België en het zuiden van Nederland eind augustus begin september 1944.    
 Dinsdag 5 september werd “Dolle Dinsdag” genoemd, omdat het gerucht ging dat de geallieerden Breda hadden bereikt, in het zuiden van Nederland. En zou een kwestie van uren zijn voordat ze onze regio zouden bereiken. De Duitsers en hun vriendjes schrokken en vluchtten in paniek. De bevolking was uitzinnig en de mensen vierden feest op straat. Naarmate de uren voorbij gingen en de avond inviel, was er nog steeds geen teken van de geallieerden. Sommigen bleven buiten slapen in de open lucht, net buiten het dorp, zodat ze de eersten zouden zijn om de bevrijders te kunnen verwelkomen.  
 De ochtend van 6 september bracht ons een grote teleurstelling. De Duitse bezetter had zich weten te reorganiseren en waren weer terug op volle sterkte. Alleen hun Nederlandse vriendjes (de colaborateurs) bleven weg omdat zij zich realiseerden dat zij na de bevrijding aan de beurt zouden zijn. De bevolking hoopte nog steeds dat het alleen een militaire tegenvaller zou zijn, en dat scheen ook het geval te zijn toen op 17 september de geallieerden een poging ondernamen om bij Arnhem door te breken. Helaas liep dit uit op een catastrofe, die enorme consequenties voor ons had, aangezien we nu geïsoleerd kwamen te liggen van de rest van Nederland. En de oorlog raakte in een patstelling met de winter voor de deur. Over deze verschrikkelijke tijd is al veel geschreven en ik zal hierover nu niet verder uitweiden.  
   
 Een paar maanden voor het eind van de oorlog kregen we ons huis terug en, het moet gezegd worden, we kregen het terug in een uitstekende staat. Ze hadden er zelfs een nieuwe boiler in gezet. We hadden geluk, want na de bevrijding werden veel panden, die nog steeds door de Duitsers gebruikt werden, overgenomen door de Canadese strijdkrachten. En zij waren niet zo zorgvuldig met die huizen. 
 De woning naast de dubbele woning waarvan wij de helft bewoonden was nog steeds bezet door Duitse soldaten. Ook zij waren duidelijk getroffen door schaarste in voedsel, maar zij waren beter in staat om zich te redden. Ze hielpen zichzelf aan allerlei goederen en ze hadden een kalf aan het grazen in de achtertuin. Mijn broer had een soort kist met glazen deksel gemaakt, die hij vulde met aarde. Daarin probeerde hij wat groenten te verbouwen. Het kalf van de Duitsers brak los en stormde door de tuin van onze N.S.B.-buurman, die op dolle dinsdag naar Duitsland was gevlucht, en kwam in onze achtertuin terecht. Het dier struikelde over mijn broer’s minikas, brak het glas en beschadigde de groenten. Mijn broer ging uit zijn dak en ging op hoge poten naar de Duitse buren om uit te leggen wat hij ervan vond. Dat was niet heel erg slim om dat te doen tegen de Duitse bezetters, helemaal omdat mijn broer eigenlijk tewerkgesteld had moeten zijn in Duitsland. Maar hij had toch enigszins succes. Ze verontschuldigden zich enorm en brachten allerlei lekkernijen zoals chocolade etc. Chocolade hadden we in geen jaren meer gezien of gegeten.  Dit verhaal is bedoeld om te vertellen over de laatste dagen van de oorlog. De moeilijkheid is dat, als ik het aan mijn kinderen en kleinkinderen vertel, ze me maar half geloven. Vele maanden woonden we zonder elektriciteit en zonder nieuws, behalve Duitse propaganda, and daarom publiceerde de ondergrondse een gestencild blad met nieuws van de BBC. (Ook dit was vol met propaganda, maar van het soort dat we wel wilden horen). Een jongen van de ondergrondse, die goed Engels sprak, (ik noem hem hierna de Editor) typte een stencil op een draagbare typemachine en dan werden er een paar duizend kopieën gedraaid met een oude Gestetner. Veel mensen hielpen dan mee het nieuwsblad stiekem te verspreiden onder de personen waarvan men wist dat ze niet met de Duitsers sympathiseerden.  
 Grote gebieden in Duitsland waren al door de geallieerden bezet. Berlijn en vele andere steden in Duitsland lagen in puin. Maar Baarn was nog steeds bezet. Hitler had al zelfmoord gepleegd, maar de Gestapo had toch nog een belangrijk lid van de ondergrondse gearresteerd. Dat zorgde ervoor dat iedereen voorzichtig was en de Editor van het illegale nieuwsblad dacht dat het onverstandig zou zijn om thuis te blijven en verbleef bij ons, omdat dat waarschijnlijk veiliger zou zijn.  
 Op vrijdag 4 mei ’s avonds was de Editor aan het luisteren en typen in een bovenkamer. Ik kan me herinneren dat wij beneden waren en plotseling kwam hij van de trap af rennen (bijna vallend) schreeuwend dat hij had gehoord op de BBC dat het Duitse leger in ons gebied (Noord Europa) had gecapituleerd. Natuurlijk waren zij (de Wehrmacht) er nog steeds en waren misschien zelf nog niet geïnformeerd over hun overgave. Sommige van hen waren heel erg fanatiek en konden niet accepteren wat ze hoorden over het grote Deutsche Reich. Zij zouden nog steeds veel schade aan kunnen brengen. De Editor moest nu een beslissing nemen, over wat hij in het nieuwsblad moest vermelden en of hij de lezers het feesten moest ontraden. Het telefoneren met de locale bevelvoerder van de ondergrondse, een ex-politieofficier, was te gevaarlijk, dat stond niet ter discussie. Hij vroeg me om naar het huis van de bevelvoerder te gaan, een paar kilometer verderop, om het hem te vragen. Omdat de avondklok nog steeds gold betekende dit dat ik door de straten en soms ook door tuinen moest sluipen. Ik bereikte het huis van de bevelvoerder zonder problemen en hij kwam in zijn pyjama aan de deur. Hij adviseerde me dat de bevolking met feesten moest wachten totdat de eerste geallieerden in Baarn waren aangekomen. Met dat sobere bericht moest ik terug naar huis.  
 Ongeveer halverwege de weg naar huis hoorde ik iemand mijn richting op lopen. Het zou een Duitser kunnen zijn. Vlug verschool ik me achter wat struiken langs de kant van de weg. De persoon liep recht op me af. Ik was bang dat hij me had gezien, toen hij dichterbij kwam, bleek het een dronken buurtbewoner te zijn die duidelijk wat minder nerveus was over de avondklok dan ik. Toen hij voor de bosjes stond waar ik me achter verschool, begon hij zijn gulp open te maken om een plasje te plegen. Ik schreeuwde het uit: “Hey!!”. Hij kreeg de schrik van zijn leven. Daarna praatten we wat en ik informeerde hem over het goede nieuws. Hij was niet onder de indruk. Zijn commentaar was: “Ik geloof het pas als ik de eerste Duitsers zie vertrekken”.  
 Na dat voorval vervolgde ik mijn weg naar huis had het bijna bereikt toon één van de Duitse buren me aanhield. Dat was één van die Duitse soldaten die ons die chocolade had gegeven. Ik moest me naar binnen waar nog meer van zijn collega’s zaten. Sommige van hen waren behoorlijk opgewonden. Ze fouilleerden me op wapens, maar vonden natuurlijk niets. Ik vertelde ze dat ik had gehoord dat de oorlog voorbij was. Hoewel ze eigenlijk opgelucht hadden moeten zijn, dat het allemaal voorbij was, en dat ze het overleefd hadden, werd één van hen erg boos en schreeuwde: “Wir haben die waffen nie gestrekt” (we hebben nog steeds onze wapens) terwijl hij zijn geweer voor me heen en weer zwaaide. Gelukkig was de officier in commando op een gegeven moment verstandig genoeg om me te laten gaan.  
 Toen ik thuis kwam was iedereen in een feeststemming en al feestend klommen we over de omheining in de achtertuin naar het huis van een ander lid van de ondergrondse. Dit was voor ons effectief het einde van het leiden onder het juk van de Duitse bezetting, maar we zouden nog drie dagen moeten wachten voordat de eerste geallieerden in Baarn aankwamen.      
 Eindelijk arriveerde de geallieerde soldaten in Baarn. Dat was op 8 mei, bijna 5 jaar sinds het land onder de voet gelopen werd door de Duitsers. Een gepantserde wagen stopte aan het einde van onze straat. In no time was de wagen bezaaid met feestende mensen. Het leek wel een bijenkorf op wielen. Eén van de officieren in het voertuig vertelde me dat vandaag het Duitse leger definitief en onvoorwaardelijk had gecapituleerd. Onze eerste gedachten waren toen dat het niet meer zou uitmaken wat er in de toekomst nog zou gebeuren. Het zou in ieder geval nooit meer zo slecht worden als in de oorlog. Natuurlijk verdwijnt die gedachte later naar de achtergrond als het toch weer wat tegenzit. De daaropvolgende weken leefden we op gebroken biscuits, rundvlees en melk waardoor de meeste van ons aan de diaree raakten.      
 Een paar dagen later werden de Duitse buren in het pand naast onze dubbele woning gevangen genomen als krijgsgevangenen en afgevoerd. We hebben geen afscheid van ze genomen, maar we waren niettemin blij ze te zien gaan. De hele buurt was nieuwsgierig wat ze in het huis zouden hebben achtergelaten, en zodra de laatste weg was, drong de hele buurt, inclusief wijzelf, in het huis en zochten in alle hoeken en gaten. Het enige dat ze vonden was een oude piano en een deel van een karkas van een paard, bezaaid onder de vliegen, dat aan het plafond hing. Blijkbaar hadden de Duitse soldaten die van één of andere arme boer gestolen. Ze kregen het niet voor elkaar om die spullen mee te nemen.  
 Al die jaren van solidariteit en eenheid onder de bevolking verdween toen verschillende van onze goede buren ruzie begonnen te maken over het oude paard, omdat die, na het koken, hun knagende buikpijn zou kunnen stillen. Mijn vader, met zijn eigenzinnige gevoel voor humor, ging achter de oude piano zitten en begon het Nederlandse Volkslied te spelen, terwijl de buren ruzie maakten over hoe ze het paard konden verdelen. Helaas moet ik melden dat de pianist er niets van heeft gekregen.  
 ]]></description><pubDate>Sat, 08 Jan 2011 17:16:25 +0100</pubDate><category>Oorlogstijd</category></item></channel>
</rss>
